LEEFBAAR? ( Rechtsgeschiedenis: Beschouwing over politiek en samenleving )


JACOB VENKER

IDEOLOGIE
Bestaat er wel zoiets als een "Leefbaar ideologie" en wat betekent Leefbaar voor jou en wat betekent ideologie nu eigenlijk? Letterlijk betekent het ‘leer der ideeën'. In Frankrijk duidde men die term aan het begin van de l9de eeuw een nieuwe wetenschap aan, die de menselijke ideeën en hun waarheidsgehalte tot onderwerp heeft. De term vond al snel ingang en kreeg uiteindelijk de betekenis die hij tegenwoordig nog heeft: een min of meer afgerond stelsel van gedachten, gevoelens en doelstellingen, in het bijzonder op terrein van sociale organismen, politiek en samenleving.
Maar om in onze democratie tegenwoordig nog met een representatief en afgerond stelsel van pakkende gedachten, gevoelens en doelstellingen te komen, is wel buitengewoon moeilijk. Er zijn nu zoveel politieke stromingen en de onderlinge verschillen zijn ook zodanig gering dat het lastig lijkt om je te profileren. Daarmee loop je dan ook het risico bezig te zijn het wiel opnieuw uit te vinden. Bijkomende factor is dat de groepscohesie in zo'n stroming ook niet zo groot zal zijn en dat is uiteindelijk weer slechts voor het verkrijgen van politieke eenheid. Om zoveel mogelijk kiezers te winnen concentreren partijen zich daarom steeds meer op breed gedragen 'issues', in plaats van onderlinge tegenstellingen te benadrukken.
Bij de vorming van een politieke ideologie is het belangrijk om rekening te houden met de opvattingen die in een zo breed mogelijke achterban heersen. Eenmaal die getraceerd duikt daaruit het probleem van de profilering op. Dat probleem is overigens van alle tijden. Van eenwording was in de statenbond met zeven vrijwel autonome gewesten (de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) ook eeuwenlang geen sprake. Om de achtergronden daarvan te vinden en daaruit een leerproces te halen, dien je in te gaan op cultuurhistorische, psychologische, juridische aspecten.

HISTORIE
Teneinde te kunnen bevatten hoe Nederlanders in hun wereld staan en hoe hun ideevorming omtrent leefbaarheid tot stand komt, vergt dit enige analyse van ons volkskarakter. Hoe het dan uiteindelijk met onze 'nationale aansturing' gesteld is vergt een reis terug naar het Hollandse verleden. Ik noem Holland omdat die landstreek met dat daarin gelegen Den Haag tot nog toe zo bepalend is voor de rest van Nederland, de geschiedenis daarvan onmiskenbaar zijn sporen heeft nagelaten, maar onwillekeurig toch nog steeds ons aller doen en laten blijft bepalen. Met dat laatste, dat stuk geschiedenis, steken we van wal.
Achter een smalle duinenrij was Holland eeuwenlang een levensvijandig gebied. Dat kwam door het regelmatig opstuwende  water en door dat onvoorspelbare barre weer. Om die situatie beheersbaar te maken volgde inpoldering. Zeer plaatselijk zorgden organisaties voor waterhuishouding naar een samenwerkingsverband. Die ontwikkeling leidde al in 1255 tot het 'streekwaterschap' Rijnland dat van het begin van de 10de eeuw tot op heden nog steeds de naam 'Hoogheemraadschap Rijnland' draagt. Er zijn meer van zulke 'bestuurslichamen' ontstaan met zo langzamerhand buitengewoon  gewichtige en  gecompliceerde  taken. Zij hadden indertijd al een wetgevende, rechterlijke en bestuurlijke taak en dús veel macht. Dat die macht groot was blijkt wel uit wat we weten over hun zogenoemde 'keuren'. Grondbezitters die zich niet aan de regels hielden werden opgehangen of men hakte hen een hand af. Onze waterschappen vormen daarom een interessant studieterrein voor de ontwikkeling van veelal zo ondoorzichtig geworden locale machtsstructuren (5).
Maar meer in het algemeen mag gesteld dat de Nederlandse staat niet is voortgekomen uit machtsstrijd zoals elders in Europa wel het geval was. Onze geschiedenis is altijd sterk gekleurd door een strijd om burgerlijke vrijheid en zelfstandigheid. Vanouds kennen wij daardoor geen sterk dominerende machtselite, maar bepaald wel een geheel eigen traditie. Dat is er een die eeuwenlang borg stond voor een ordelijk en betrekkelijk rustig volksbestaan. Deze traditie stoelde hoofdzakelijk op het diepgewortelde ontzag en eerbied voor de christelijke godsdiensten, een ontzag dat van jongs af aan werd aangekweekt. Onze academies, inclusief die van Leiden, waren traditioneel bovennationale instellingen, waarin ongeachte de nationaliteit van de beoefenaars, wetenschap werd bedreven. Op de universiteit werd nagenoeg geen aandacht besteed aan het locale recht omdat men dat niet wetenschappelijk genoeg achtte, men het bovendien 'bekrompen' vond  (Joh. O. Westenberg, Leiden 1732)6
Met de Verlichting en het daarin aanwezige accent op de ratio en daarna ook door de Franse revolutie, verandert er veel. Zo dwingen de Fransen hier in staatkundig opzicht eenheid af. Er komt een algemene wetgeving, eenheid in rechtsbedeling en er komt een scheiding van kerk en staat. In onze aloude gezagsstructuren kwam -aldus wél vanuit het buitenland- verandering.
In de 19de eeuw zet de verandering onverminderd door. Dit kenmerkt zich allereerst door de diepgaande verschillen tussen het zuiden en noorden van ons land. Het voert hier echter te ver om daarop uitvoerig in te gaan. Maar over het algemeen leeft men in de vaste overtuiging dat de wereld vooruit gaat. Die zekerheid werd gevoed vanuit de natuurwetenschappen. Daardoor onstond een grenzeloos optimisme over de mogelijkheden van het menselijk kunnen. In de wetenschap met de ‘triomf der techniek’ overheerst het materialistisch wereldbeeld. Met een Geestelijk Réveil (da Costa, 1823) ontstaat een opwekkings-beweging op godsdienstig en geestelijk terrein als reactie op het materialisme.
In de tweede helft van de 19de eeuw werd een sterk calvinistisch overwicht uitgedaagd door een seculier-liberale tegenstroming. Uit die confrontatie is een sterk verzuild politiek en maatschappelijk bestel voortgekomen. Het welvaartspeil was overal nog zeer laag, met name onder de kleine middenstand, arbeiders en boeren. Maar liberale economen waren ervan overtuigd dat de vermeerdering van productie vanzelf welvaart voor iedereen zou brengen. Met de economisch zwakkeren werd evenwel geen rekening gehouden. Op den duur ontstaan daardoor, naast het liberalisme en het confessionalisme, nog twee nieuwe stromingen. Dat is enerzijds die van de organisatie van het internationale proletariaat en anderzijds een door wetgeving in het belang van de arbeiders, het socialisme.
Provincie- en staatsgrenzen verdwijnen. Handel en verkeer bieden in toenemende mate een rijke verscheidenheid aan statenverbindingen. Na de Tweede Wereldoorlog verdwijnen de scherpe klassentegenstellingen en confessionele scheidslijnen langzamerhand als gevolg van ongekende economische groei en de uitbreiding van de welvaartsstaat. De Europese integratie komt op gang en komt hiermee tevens een accent op de multiculturele aspecten van onze samenleving te liggen. Door al deze ontwikkelingen verdwenen grotendeels, ook in ons land, de regionale en culturele verschillen. Maar toch niet helemaal. Ze zijn er nog steeds, zij het dan wel minder uitgesproken, blijkt dat ook wel uit het volgende.


LOCALO'S
Zo kijken we naar de verschillen tussen de Hollandse randstad en de rest van ons land. Was dat voor een paar jaar geleden nog het duo Van Kooten & De Bie, het is op dit moment eigenlijk alleen nog Youp van 't Hek die hierover vaak hardop en eenzijdig nadenkt en komt dat vaak niet bepaald zo sympathiek en soms ook wel eens discriminerend over bij menig kijker van buiten de randstad.
Pim Fortuyn stak zijn gebrek aan respect voor de zogeheten 'localo's' uit onze districten al evenmin onder stoelen of banken. Desgevraagd wilde Hylke ten Cate (destijds lid van het LN-hoofdbestuur ) aan het NRC-HANDELSBLAD op 16 februari 2002 wel kwijt dat hij Fortuyn in die periode soms ‘arrogant en lastig te sturen' vond. 'Hij kijkt gauw op anderen neer. Als hij over de gewesten sprak, had hij het over het gepeupel.', aldus Ten Cate. Fortuyn heeft helaas nooit de gelegenheid gekregen dit nader toe te lichten.
In Europees verband zijn de culturele verschillen echter nog veel groter. 'Last but not least' tikt er de tijdbom van de taalproblematiek. Daarnaast, als uitvloeisel van de Europese integratie, wordt er flink strijd gevoerd over de versterking van onze eigen positie in de Europese instellingen. Onduidelijk is nog wat nu precies die positie van ons land hierin zal zijn. Grote lidstaten vinden de kleine te pretentieus en de kleine vinden ons te arrogant.
Niettemin wordt de Nederlandse burger, zonder dat hij daarop rechtstreeks invloed kan uitoefenen, wel opgezadeld met steeds meer Europese richtlijnen en betaalt die zelfde burger ook relatief veel belasting aan Brussel. Het profijt daarvan is kennelijk onvoldoende zichtbaar. In toenemende mate zal het voorkomen wanneer je een parlementariër iets vraagt deze zich zal moeten verschuilen achter Brusselse richtlijnen en in feite deze zichzelf daarmee in toenemende mate overbodig maakt. Dat is een ontmoedigde burger inmiddels wel duidelijk geworden. Maar nu met dat brevet van onvermogen het demasqué van de aan Brussel ondergeschikt gemaakte Haagse politiek zo evident is geworden, legitimeert dit nu juist meer autonomiteit en ook meer bevoegdheden voor onze regio's: de provincies. Onze provincies staan immers veel dichter bij de ons burgers dan dat Den Haag, laat staan 'Brussel' dat doet.
Ter voorkoming van toenemende ontevredenheid hierover zouden we ons enerzijds sterker kunnen maken door meer in Benelux-verband te gaan samenwerken. Een andere optie is dat Europa Zwitserland tot voorbeeld kan nemen en daarbij veel zou kunnen leren van het ontstaan van haar federale structuur en haar bijzondere codificatie (in Zwitserland hanteert men al zeer lang wetboeken die door maar liefst vier spraakgebieden tot een ieders tevredenheid zijn geaccepteerd). Er wordt daarom ook steeds vaker gesuggereerd dat Zwitserland model zou kunnen staan voor de eenwording van Europa. 6 , 12
Een leefbaarder benadering behelst wellicht die waarbij onze eigen provincies weer meer autonomie zullen krijgen. De verantwoording van provinciale staten en gedeputeerden jegens hun electoraat zou er namelijk flink door kunnen groeien. De afstand tussen kiezer en gekozene zou daarmee ook kleiner worden hetgeen nu juist een van de wensen van de Leefbaarbeweging is.
Met deze benadering zal men in Den Haag ongetwijfeld niet blij zijn. Maar dat dit soort ideëen ontstaan heeft men dan ook volkomen aan zichzelf te wijten. De affiniteit van de burger met Den Haag is immers tot het absolute nulpunt gedaald. Laatst genoemde optie, waarbij meer autonomie aan onze provincies gegeven zal worden, past bovendien goed in dat van een meer Europese gedachte waarin de culturele regio's een prominentere plaats moeten gaan innemen.

TRIAS POLITICA
Een andere factor van betekenis is wel de juridische. Want als er één ding van belang is bij het leefbaar houden van een samenleving betreft dat wel het behoud van de rechtszekerheid voor de burger, het individu.
De bescherming van individuen via onze grondrechten is er een. Een andere om de burger te beschermen tegen machts- concentratie is de spreiding van overheidsbevoegdheden. Aldus een prachtige vondst, die 'Trias Politica' 3 . Een die inhoudt, althans, voor ons land in grote lijnen, dat er een overheid bestaat waarin drie verschillende machten elkaar in evenwicht houden en controleren: een wetgevende, een uitvoerende en een rechtsprekende. Voorwaarde tot behoud van dit evenwicht is wel dat wij als burgers die overheid zelf goed controleren, onderhouden en waar nodig, ook voldoende steunen. Om nu te begrijpen in hoeverre dit het begrip leefhaar raakt vergt dit een kleine inleiding.
Probleem in ons leven is dat omstandigheden nimmer gelijkblijvend zijn en dat bestuurders zich daarom ook niet altijd geroepen voelen zich aan het geregelde te houden. Hier ontstaan dan ook de poriën waardoor zo nu en dan een andere interpretatie van het rechtsleven kan binnendringen en waardoor onze rechtszekerheid kan worden aangetast. Dat druist in tegen datgene wat spontaan opborrelt uit ons onderdrempelig zelf, als ware het een archetype, te weten het natuurrecht. Dat is het recht dat onafhankelijk van tijd en plaats, van opinies naast en boven het door  mensen geschapen (geschreven) recht staat. Soms wordt het ook wel kernrecht, of 'bovenpositief recht" genoemd. Eeuwig en altijd duikt het weer op. Het ontstaat onder slachtoffers van dictatuur en komt tot bloei direct na perioden van onderdrukking. Wel heel sterk ten tijde van en ook direct na de Franse Revolutie. Maar ook na de Tweede Wereldoorlog maakten natuurrechtelijke opvattingen in Duitsland een opbloei door. Geen wonder ook. De oorzaak daarvan is gelegen in de ervaring hoezeer het geschreven recht onder een regime als dat van nazi's kan verworden, d.w.z.: onder een regime waarin onder andere de rechterlijke macht, zoals ook in andere landen al eerder en vaker voorkwam, van het recht een wassen neus kon maken en hiermee álle rechtszekerheid op losse schroeven kon worden gezet.
In ruim tweeduizend jaar Europese geschiedenis zien we dat dingen en gebeurtenissen zich nogal eens herhalen6. Regelmatig vallen samenlevingen hierbij terug in uitingen en handelingen die sterk gebonden zijn aan wat we 'natuurrecht' noemen. D.w.z. een soort universele maatstaf voor wat diep in de persoonlijke opvatting van de mens leeft en wel in zijn aangeboren rede, ratio, die hem voorschrijft wat recht is. Voorbeelden hiervan vinden we terug in ons privaatrecht, zoals bijvoorbeeld het sluiten van een huwelijk, huur en verhuur, koop en verkoop, verbintenissen. Dit natuurrecht, aangepast aan de eisen van tijd en plaats, wordt immers beheerst door de veronderstelling dat men het 'ware' het 'natuurlijke' recht door beredenering, door rationele deductie kan vinden. Daardoor is het idealistisch van aard en veronderstelt het evenzeer de aanwezigheid van een geheel van ongeschreven rechtsregels dat onafhankelijk van de mens (volgens Hugo de Groot) 'zelfs zonder God', van kracht zou zijn6
Meer toegespitst op het vaak zo onvoorspelbare gedrag van een samenleving als creatief systeem kijken we opnieuw naar haar lange ontwikkelingsweg. Daarbij werd mijn bijzondere aandacht naar de geschiedenis van ons Europese recht getrokken. Waarom zo specifiek die rechtsgeschiedenis?
Wanneer we ons in die materie verdiepen, komen we in aanraking met zeer uiteenlopende juridische vraagstukken en opvattingen. Ze zijn onderdeel van een langdurig leerproces. Zo leert men hieruit tevens dat de codificatie(*) van een land er alleen komt wanneer politieke eenwording bestaat. Het behoeft geen betoog dat die codificatie weer bijdraagt aan de staatkundige eenheid van dat land.
(*) Codificatie: De weergave van het geldende recht in wetsboeken,
Dat natuurrecht leeft immers overal in elk electoraat en daarom is het in dit bestek interessant. Het roept namelijk altijd weer vragen op omtrent onze diepste en wel meest kwetsbare gevoelens over wat scheef of recht is, waar of onwaar, gelijk of ongelijk, eerlijk of oneerlijk. Wij mensen zijn bovendien pas echt tevreden als de onderste steen, d.w.z. alle waarheid, boven water komt, ofschoon onbelemmerde waarheidsvinding -althans bij rechtspleging in ons land- geen absoluut doel is en soms moet wijken voor bepaalde maatschappelijke belangen16. We moeten ons daarbij wel realiseren dat niet al het recht in de wet is te vinden.
Aan de oorsprong van onze uitingen van en gevoelens over dat natuurrecht hangt een eindeloos lange, in de tijd gegroeide, keten van herinneringen, filosofieën, gedachten, gewoonten en verkeersopvattingen. Die opvattingen en gevoelens zijn door de eeuwigheid heen ontstaan en verstevigd. Af en toe steekt er, tijd en plaatsgebonden als het politieke klimaat versuft, bestoft, die frisse wind van dat natuurrecht op. In ons land gebeurde dat al eens aan het einde van de 18de eeuw met het ontstaan van de radicale patriottenbeweging van Joan D. van der Capellen tot den Pol en onlangs nog -maar dan meer in een andere richting- met die van Pim Fortuyn. (Van der Capellen wenste in 1781 meer eenheid en soevereiniteit voor het gehele Nederlandse volk Fortuyn wenste juist meer macht op decentraal niveau). Het is een buitengewoon fascinerend onderwerp.
Het natuurrecht manifesteert zich herhaaldelijk, ook in onze geschiedenis. Het steekt altijd weer de kop op in tijden van sociaal politieke beroering wanneer men niet tevreden is omdat een heersende elite niet in staat is tot behoorlijk bestuur. In 1848 zagen we dit toen revolutionaire bewegingen met succes het vorstengezag inperken . iedereen vindt dan opeens dat de dingen beter of anders geregeld of herschreven moeten worden met als gevolg het ontstaan van een nieuwe politieke beweging.
Die nieuwe bewegingen zijn vaak, zoals historicus Jo Wijnen toen (zomer 2002)  in De GELDERLANDER nog zo treffend verwoordde, 'strovuren die hoog kunnen oplaaien, maar snel doven' 
Wanneer echter een nieuwe politieke groepering blijvend in staat is dat natuur- of 'kernrecht' voldoende serieus te nemen dan zou dat een schone zaak zijn. Het failliet van de politiek vindt namelijk haar oorzaak in het feit dat het bestaande partijsysteem niet meer in staat is, het haar belendende fijnmazige systeem van checks and balances al evenmin. Dat leidt tot protest uit de samenleving. De politieke groepering Leefbaar Nederland als eerste, met in haar voetspoor de LPF, dankte haar populariteit aan een snel oplaaiende politieke beroering. Wanneer het heel erg uit de hand loopt, dat wil zeggen, wanneer de politiek evident failliet blijkt te zijn, krijgen creatieve, plotseling opdoemende verstorende elementen hun kans. Gevolg hiervan is een exponentieel groeiende chaotische toestand die, eenmaal onbeheersbaar, gemakkelijk anarchie, onderdrukking en een sterk toenemende kans op eigenrichting tot gevolg zal hebben. Het behoeft daarom geen betoog dat een staat nooit zonder een goed gecontroleerde overheid kan, een die in alle opzichten op betrouwbare wijze voldoende haar gezag durft uit te oefenen. Dat is uiteraard ook het type staat dat over een absoluut transparante en onkreukbare rechterlijke macht beschikt. Ik deel hierin dan ook de opvatting van historicus en oud VVD-politicus Henk Vonhoff dat je echt geen socialist of communist behoeft te zijn om de noodzaak hiervan te onderkennen. Laat over dat laatste geen misverstand bestaan, want we leven tenslotte toch in een democratie en daarin kiezen we regelmatig in alle vrijheid tot hoever dat gezag moet reiken.

POLITIEKE BEROERING
Eind jaren tachtig van de afgelopen eeuw, toen men bang werd voor emotie in de politiek en 'links' zijn rode boekje inruilde voor een bankboekje, werd de verwarring compleet. Bij het electoraat liepen de emoties plotseling natuurlijk hoog op. Het electoraat voelde zich immers zwaar bedrogen. Te laat kwam men tot de ontdekking dat men jaren achtereen kennelijk alleen maar met de voeten had mogen stemmen. Links verkocht opeens rechtse praat en ook in omgekeerde zin was dat het geval. Gevolg? Vakbondsbestuurders ruilden hun kleine Opeltje In voor een aanmerkelijk grotere auto... liefst nog een mét chauffeur! Protest vanuit de achterban werd op slinkse wijze  verlamd. Maar ondertussen werd ons voorheen nog zo open ‘Haagse Torentje’ sluipenderwijs maar wel onherroepelijk onderworpen aan een omklemming door gesloten private machten. Van enige controle daarop is dan geen sprake meer. Doorgaans onbereikbare kamerleden gedroegen zich, kennelijk uit angst voor verlies van baan en pensioen ‘de facto’ in strijd met onze Grondwet, door niet meer zonder last te stemmen11. (We herinneren ons de  fractiediscipline bij D66, VVD, CDA en PvdA) . Politiek en samenleving stonden op de automatische piloot en niemand had er kennelijk erg in zolang in economisch opzicht the sky' nog the limit' was. Maar nu is het anders en hangt het eerdaags in hoge mate van ons gezamenlijke fatsoen en onze zelfbeheersing af in hoeverre we nog in staat zullen zijn onvermijdelijke economische tegenslagen te kunnen incasseren, want tenslotte geldt dan ook hier weer dat aloude adagium 'Erst das Fressen und dann die Moral'.
De vraag rijst hierbij wel wat er van die moraal nog overblijft wanneer die alleen door de private sector bepaald wordt en uiteindelijk een politieke discussie daarover niet meer serieus wordt genomen, ieder voor zich en God voor ons allen7 Want daar lijkt het nu wel op. De kwaliteit van zaken, goederen en diensten loopt sterk terug.  In bepaalde supermarkten groeien de rijen om tot oud-oosteuropees formaat ( en thans ook nogal eens bij de supermarktketen Aldi). In dit  beginsel- en positieloze tijdperk zullen politiek en overheid zich ook steeds minder bekommeren om grote groepen kwetsbare burgers waaronder eerdaags een sterk toenemende hoeveelheid senioren. Een aantal daarvan zoekt zijn heil bij een overbelaste rechtsbijstandsverzekering of, in arre moede wellicht   bij een meestal door  geheel pro-deo opererende enthousiaste  rechtenstudenten gerunde  wetswinkel (De auteur van dit stuk maakte zelf ook geruime tijd deel uit van zo'n team).  Maar onder die omstandigheden dienen we ons nu wel grondig af te vragen wie er tegen die tijd nog de kwaliteit van die rechtsbijstand, de toegankelijkheid tot en de onafhankelijkheid van een rechterlijke macht toetst, überhaupt, hoe de rechtsorde dan nog gehandhaafd kan worden indien de omklemming door de private sector zo stevig is geworden. Hierbij kun je met recht bevreesd zijn  dat die beklemming hier op den duur net zo stevig zal zijn als die ten tijde van en onder het toenmalige communistische regime in Oost- Europa. Teneinde ons land leefbaar te houden behoeft het geen betoog dat een dergelijke toestand wel buitengewoon onwenselijk zal zijn. Maar wat doet de politiek hier nu aan om dit te voorkomen?
Om de gunst van de kiezer te winnen concentreren partijen zich daarom steeds meer op issues die breed worden gedragen in de samenleving, in plaats van de onderlinge tegenstellingen te benadrukken. Aanvankelijk Kirchheimer, later ook Krouwel, A.P.M. (1999) hebben dit fenomeen aangeduid met 'het verdwijnen van de oppositie'. Volgens deze politicologen worden politieke partijen en de staat in toenemende mate afhankelijk van elkaar. De staat legitimeert haar acties middels in het parlement, terwijl deze partijen steeds afhankelijker worden van de staat voor hun (financiële) middelen. De 'catch-all partij' (destijds al onder Lubbers het CDA) leidt dan ook tot vervaging van de democratische machtenscheiding (3). De wetgevende, uitvoerende en ook rechterlijke macht vormen tezamen dan namelijk een kartel. Politieke partijen trekken zich steeds verder terug uit de samenleving en machthebbers misbruiken de wetgeving voor de eigen politieke doeleinden. De consequentie van deze ontwikkeling is dat burgers een zeer beperkte en passieve rol hebben in de politiek en hun partijkeuze steeds meer laten afhangen van het charisma van een lijsttrekker. Deze wordt dan ook bepalend voor het electorale succes van de partij. Maar van een grondige controle op de overheid kan onder deze omstandigheden natuurlijk nauwelijks meer sprake zijn zolang bij de lijsttrekker die intentie daartoe ook niet fundamenteel aanwezig is.

CONTROLE
In onze westerse cultuur is de afgelopen 3000 jaar enorm veel rechtskennis opgebouwd. Inclusief de jongere canonieke en anglosaksische waarden die daarin verwerkt werden, levert al deze kennis voor onze samenleving een schat aan waardevolle en bruikbare gegevens op. Dan is het goed dat men in de provincie als Zeeuw, Fries, Groninger, Brabander, Limburger of Hollander, uiteraard met respect voor elkanders waarden, normen en gewoonten, precies weet wie men is, waar men (voor) staat, ook weet waar en hoe men op een ordentelijke manier geschillen kunt beslechten. Maar in dat opzicht dreigt nu evenwel een ernstige situatie. In een steeds vrijer wordende met informatie overstelpte samenleving neemt de verwarring toe. De burger is bovendien ontevreden wanneer de onderste steen niet bovenkomt (natuurrecht). Politiek en bestuur blijken in hun verhouding tot de burger hiermee in toenemende mate te kort te schieten. In die groeiende communicatiestoomis worden kwesties op de spits gedreven. De mondigheid van de burger is toegenomen en daarmee ook het aantal juridische geschillen. De overheid heeft hierbij meestal al het geduid van de wereld terwijl hun procedures van de burger een te lange adem vergen. Maar die zelfde overheid is nu eenmaal de enige die de macht van het zwaard kan en ook behoort te hanteren.
Inhoudende dat haar optreden met dwingende autoriteit is bekleed, ontstaat hierdoor gemakkelijk onzorgvuldigheid. willekeur, rechtsongelijkheid en daarbij ook gedoogbeleid. Dit te meer ook aangezien men een behoorlijke controle ven de wetgever, thans in wezen zonder oppositie, in toenemende mate ontbeert. Maar de regering geeft dan (sedert begin september 2002, te kennen op dit punt te zullen gaan bezuinigen. Dat valt juist nu in dit tijdsgewricht wel buitengewoon te betreuren, want leefbaarder wordt het immers wanneer tevens  zoveel mogelijk álle onderste stenen boven komen. Dat houdt in dat we er voor zorgen dat het instituut rechtspraak ook voor de minder draagkrachtigen toegankelijker en transparanter wordt, er voldoende absoluut onafhankelijke rechters zijn die grondig, maar toch ook vlot en bindend kunnen rechtmaken wat scheef is. Al evenzeer dienen we te beschikken over een goed toegerust justitieel apparaat.

ONDERWIJS
Teneinde de kloof tussen de rechterlijke macht en burger en het aantal geschillen op den duur kunnen reduceren zal nu op lagere scholen al een begin moeten worden gemaakt met het uitbouwen van het onderwijs over filosofie en rechtsgeschiedenis. Hierdoor dreigen we ook minder gauw te vallen in die oude valkuilen waarin onze groot- en betovergrootouders toen reeds vielen. We zitten immers niet te wachten op een herhaling van, bijvoorbeeld, de dertiger jaren waarin de  demagogie hoogtij vierde en hele samenlevingen zich blindelings in het ongeluk stortte.
Langs deze weg zou ons volk ook toenemend verweven kunnen zijn  met het zuivere recht als archetype1.  D.w.z. wanneer we in een vroeg stadium al geleerd hebben meer orde en vrede te scheppen, zo zal men later van bovenaf ook minder snel geneigd zijn ons dingen op te leggen en zullen daarom ook minder gauw die alom verfoeide  'apenrotsen' ontstaan. In de praktijk is gebleken dat management en bestuur daarmee op den duur vanzelf participatiever en transparanter worden13 Inherent hieraan is een toenemende invloed van de burger op het bestuur. Mij dunkt dat ook dáármee de wereld wel leefbaarder zou worden.

METEN IS WETEN
Om in onze democratie met een acceptabel en evenwichtig stelsel van pakkende gedachten, gevoelens en doelstellingen te komen is, zoals al eerder betoogd, niet eenvoudig. Bovendien schiet het ons zintuigen en begripsmiddelen te kort om alle problemen van deze wereld aan te kunnen. Ons denken en onze samenleving lijken hierin veel meer op een globe. Naarmate die globe groter wordt, zal het aantal aanrakingspunten met het onbekende ook groter worden. Kunnen we daarin met zoveel verschillende politieke stromingen die onderling zo marginaal verschillen nog wel uitkomen ? Is daarin eigenlijk nog wel ruimte voor zoiets als een ideologie of een bevrijdend inzicht? ... Ik denk maar zeer ten dele.
Wel kan men aan de hand van goed opgezet onderzoek en enquêtes een valide beeld verkrijgen van wat het electoraat leef- of onleefbaar vindt en welke 'issues' in haar opvatting prioriteit verdienen. Meten is weten en met één druk op de runtoets van onze pc kunnen aan de hand van zorgvuldig gescreende vragen alle mogelijke zaken, stuk voor stuk, snel getraceerd en aangepast worden. Daarmee ontstaat een nieuwe en directe vorm van democratie. Een die heel interactief is en waarbij onder meer het internet een ideaal hulpmiddel zal kunnen worden.
Met dit artikel werd tevens gegraven in ons eigen nationale verleden. We constateren dat Hollanders van burgerlijke vrijheid en zelfstandigheid houden. Langs de weg van het archetypisch verankerde 'natuurrecht' mag men concluderen dat omstandigheden nimmer gelijkblijvend zijn, maar dat mensen door de eeuwen heen fundamenteel toch nauwelijks veranderen in hun reactie op sociale misstanden en misbruik van vertrouwen door bestuurders en politici. Met name gedurende laatste kabinetsperiodes kwam het electoraat tot de ontdekking dat men zich door hen ernstig heeft laten misleiden en waaruit je nu kunt afleiden dat ons hele systeem van checks and balances aan een grondige revisie toe is. Dit impliceert tevens een andere appreciatie van de Trias Politica 3  waarmee we beslist in een nieuw tijdperk zijn beland, want behalve dat een politicus een volksvertegenwoordiger is en daarop afgerekend kan worden, behoort hij voortaan ook een goede manager, bovendien ook nog   een internetdeskundige te zijn.
De vervaging van de democratische machtenscheiding en het demasqué van de aan Brussel zo ondergeschikt gemaakte Haagse politiek is evident. Haagse politici hebben zich daarmee min of meer overbodig gemaakt. Een groot deel van het electoraat walgt van de grote kloof tussen kiezer gekozene, de Haagse klieks met hun kiezersbedrog. Men snakt daarom naar gezagsonttroning, een wezenlijke mentaliteitsverandering en daardoor het opdoeken van de politieke partij als gezagsinstituut. Al evenzeer hunkeren we naar nieuwe inspiratie ook naar levendige spontaniteit en bevlogenheid waarbij alleen de mens centraal zal staan, zijn klachten en wensen goed gemeten zullen worden en daarop al even adequaat en vlot gereageerd zal worden Die ontwikkeling legitimeert nu krachtiger dan ooit tevoren, meer autonomie en daarom ook meer bevoegdheden voor onze cultuurregio's, in het bijzonder ten aanzien van onze provincies waar mensen dichter bij elkaar staan. Die wens is, overigens ook goed te rijmen met het concept van Europa. Locale politici zullen dan om te beginnen op een verantwoorde manier moeten traceren hoe en waar in onze leef- woon- en werkomgeving de schoen wringt(*)18 . Wanneer kiezer en gekozene daardoor uiteindelijk dichter bij elkaar komen te staan is dat natuurlijk wél zo'n schone zaak.

Geraadpleegde literatuur
1. Jung, C. G.(1 977): "Achetypen", Servire, Wassenaar.
2. Van Apeldoorn, L.J., "Inleiding tot het Nederlands recht" 10de druk, p.32, OU-Nederland
3. Montesquieu, Ch.L. (1748):"De I'Esprit des Lois".
4. Buisman, J. (1995-99): "Duizend jaar weer, wind en water", Van Wijnen, Franeker.
5. Beenakker, J., Meijer C.E. (1996): , 'Monsters van Rijnland', Museum Boerhaave, Leiden.
6. Lokin, J.H.A. en Zwalve, W.J., (1992): "Europese Codificatiegeschiedenis", Wolters-Noordhoff, Groningen.
7. Marathon interview met de historicus Henk Vonhoff (12.07.02): "De ochtenden" VPRO-radio.
8. Montesquieu, Voyages en Europe, Hollande', 'Oeuvres Complètes', Édition du Seuil, p.327 ( Paris 1964)
9. Epstein, I.,(20W): "Het Jodendom", p. 152-154, Spectrum, Utrecht.
10. Duyverman, J.P. (1947).,'Uit de geheime dagboeken van Aeneus Mackay, Dienaar des konings 1806-1876', De Haan, Houten.
11. Gw, Art 67 lid 4  ‘De leden stemmen zonder last’.
12. Hosli, M.,: (Maart 2002): 'Zwitserland, model voor een Europese federatie, Int.Spectator, maart 2001
13. Weber, Gedrag: 'De basis van management", p203, Boek en Site, Arnhem.
14. De Groot, H (1625): 'De iure belli ac pacis`, Prolegomena.
15. Opsteegh, Th. (1990): "De atmosfeer, een metafoor voor het gedrag van creatieve systemen' (edit H.Tennekes), publicatie in "De Vlinder van Lorentz", Aremith, Bloemendaal. 
15a. Venker, J. :(1992 en 1994) "Chaos, Weer en Wetenschap", BRES, Uitgeverij BRES, Amsterdam.
16. Pontier, J.A. (1998): "Rechtsvinding', p-20, Ars Aequi Libri, Nijmegen.
17. Couwenberg, S.W., (2000): "Europa quo Vadis’, Tijdschrift 'Civis Mundi, Rotterdam.
18. Daverveld, H., Peters, I. (2002) 'Eindrapportage Huisproject 75 plussers', SWOS ( Stichting Welzijnswerk Ouderen Sint Anthonis  & de Gemeente Sint Anthonis ) .  

(C) J.Venker  2002-2004, St.Anthonis


Contact:  jacobvenker@hotmail.com
Terug naar het hoofdmenu WEER en GETIJDEN
Terug naar  Achtergronden